Korte geschiedenis van Dinxperlo

Print Friendly, PDF & Email
Kleine geschiedenis van Dinxperlo

 

Het gebied

De naam Dinxperlo is waarschijnlijk afgeleid van dingspel en loo. In dat geval is het dorp ontstaan op de plek waar eertijds een gerechtsplaats (dingspel) in het bos (loo) is geweest. Het wapen van de voormalige gemeente Dinxperlo bevatte een afbeelding van Vrouwe Justitia.
Anno 1260 wordt melding gemaakt van enkele boerderijen in de parochie Bocholt nabij ‘’Dincsperle’. Kerkelijk was er ook een eigen parochie Dinxperlo. Tot die parochie hoorden aanvankelijk ook de buurschappen Suderwick, De Heurne, Thushuijsen, Spork, Herzebocholt en Schuettenstein. Een akte uit 1281 over goederen in het rechtsgebied van graaf Herman van Lohn noemt voor het eerst gesproken de parochie ‘Dinkesberne’. Het Nederlandse deel van de middeleeuwse parochie Dinxperlo, dat destijds in het oude graafschap Lohn lag, vormde tot 2005 het grondgebied van de voormalige gemeente Dinxperlo.
De middeleeuwse kern van Dinxperlo bestond oorspronkelijk uit een grote hof van de bisschop van Munster, de Keppelhof. Omdat de oude Liboriuskerk op de gronden van die hof gesticht is, is het niet uitgesloten dat hier voordien al een kapel stond, waaraan de keppelhof haar naam ontleende. De hof zelf is naarmate de tijd verstreek steeds kleiner geworden en tenslotte verdwenen. De kerk en daarbij gestichte huizen vormden de aanzet voor het dorp.

Dinxperlo behoorde aanvankelijk tot het rechtsgebied van de graven van Lohn. Dat veranderde in 1326. Nadat Graaf Reinoud II van Gelre de vesting Bredevoort had genomen, kwam er na bemiddeling van de Utrechtse Bisschop een overeenkomst tussen Reinoud en Lodewijk van Hessen, de bisschop van Münster. In die overeenkomst werd geregeld dat de Bredevoortse burcht en enkele gerichten in het voormalige graafschap Lohn waaronder Dinxperlo, Aalten en Winterswijk, door de bisschop van Munster aan de graaf van Gelre werden verpand. Dinxperlo, Aalten en Winterswijk kwamen daardoor binnen de heerlijkheid Bredevoort.  Suderwick bleef tot het vorstbisdom Munster behoren en binnen het rechtsgebied van de graven van Lohn. De basis voor de latere staatsgrens was hiermee een gelegd.
Bij de verpanding van 1326 wordt het gericht van Dinxperlo voor het eerst als zelfstandig rechtsgebied vermeld. Dorp en buurschappen bleven als kerspel weliswaar bijeen, maar na de middeleeuwen verdween het gericht van Dinxperlo door een bestuurlijke centralisatie. Vanaf dan hield de drost van Bredevoort in Aalten tweemaal maandelijks rechtszittingen voor zowel Aalten als Dinxperlo.

In 1797-1798 was Dinxperlo eventjes een zelfstandige municipaliteit, maar pas in het jaar 1811 werd de plaats bestuurlijk definitief zelfstandig. Sinds 2005 is Dinxperlo een dorp binnen de gemeente Aalten.

De staatsgrens tussen Dinxperlo en Suderwick loopt midden over de straat. Hierdoor kun je vanuit menige Nederlandse woonkamer zo in een Duitse kijken. Die gecombineerde nabijheid en afstand gaf bij conflicten natuurlijk problemen. In 1939 kwam er dan ook een prikkeldraadafscheiding tussen Dinxperlo en Suderwick.
Van 1949 tot begin 1963 behoorde een derde deel van Suderwick tot Nederland. Dit leidde tot veel beroering en onderling wantrouwen. Pas vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw verdween dit wantrouwen en nam de samenwerking toe. Het dorp Dinxperlo werd bij de bevrijding in 1945 vrijwel geheel verwoest.

Economie

Dinxperlo leefde vooral van de landbouw en de daarbij behorende plattelandsnijverheid. Rond het midden van de negentiende eeuw was er ook een redelijke handel in spek en hammen. Ook waren er behoorlijk wat  klompenmakerijen. Op een zeker moment begon de linnenproductie als een vorm van huisnijverheid. Vaak vormde de inkomsten een aanvulling op het kleine boerenbedrijf. Vanuit deze thuisweverij ontstond in Dinxperlo een heuse textielindustrie. In 1830 vestigde zich in de plaats de blauwververij van Fuldauer en rond 1845 volgde de calicotfabriek van Jagerink. Hier werd fijn bedrukt katoen voor Oost-Indie geproduceerd. Maar niet alle Dinxperloërs vonden werk in eigen dorp. Velen werkten over de grens gewerkt in de ijzergieterij te Isselburg en de weverijen te Bocholt. Ondertussen bleef de landbouw belangrijk. Door de ontginning van woeste gronden, nam de het aandeel veeteelt steeds meer toe.

Tot 1854 was Dinxperlo met name op Duitsland gericht. Ook wat betreft de infrastructuur. Naar Bocholt was een grindweg aangelegd, terwijl die naar Terborg pas in 1854 gereed kwam. Vanaf 1890 reden er bussen tussen Dinxperlo en Terborg. In die tijd zijn ook de wegen verbeterd. In 1904 werd de lokaalspoorweg Dinxperlo-Varsseveld geopend. Deze lijn wilde men aanvankelijk doortrekken naar Isselburg, maar dat is nooit gerealiseerd. Door de verbeteringen in de infrastructuur kwam er andere bedrijvigheid in Dinxperlo. Zo werd in 1875 de tapijtfabriek Maurits Prins opgericht. Het aantal bedrijven breidde zich verder uit. In 1904 volgde de firma van de gebroeders Achterhof die zich richtte op de houtindustrie. In de twintiger en dertiger jaren van de twintigste eeuw volgden een metaaldraadweverij, chemische industrie en een lederwarenbedrijf.
Vandaag de dag liggen de bedrijventerreinen aan de zuidwestkant van Dinxperlo.

Bevolkingsontwikkeling

Jaar                        Aantal inwoners
1851                        2.510
1880                        2.428
1900                        2.706
1921                        3.273
1930                        3.525
1940                        3.866
1950                        4.823
1960                        5.472
1980                        7.384
2000                        8.666

Religie

Omstreeks 1270 ontstaat de St. Liboriusparochie in ‘Dinkesberne’. Hiertoe behoorden Dinxperlo en Suderwick. Voor dit jaar viel Dinxperlo onder de parochie Aalten.
Tijdens de Reformatie sloot Dinxperlo zich aan bij de gereformeerde religie. Protestanten uit Dinxperlo kerkten in de rond 1500-1545 nieuw gebouwde Liboriuskerk. Súderwick bleef overwegend Rooms-Katholiek. Hier werd een woonhuis gebruikt als kerk en daar gingen de Dinxperlose katholieken eveneens naartoe. In hun eigen plaats mochten zij immers de katholieke godsdienst niet meer openlijk beleiden. In de tweede helft van de negentiende eeuw kregen de katholieken een eigen kerk in Breedenbroek.
In het vooroorlogse Dinxperlo was ongeveer 80% van de bevolking Nederlandse Hervormd, 5% Gereformeerd, 10% Rooms-Katholiek, 1% Israëlitisch en 4% buitenkerkelijk. Iedere groepering bezat een kerkgebouw. De Nederlands Hervormden hadden in De Heurne een tweede kerk. De Rooms-Katholieken kerkten zowel in Breedenbroek (waar zij ook officieel onder vielen), maar ook nog wel in Súderwick.
Van de 4.823 inwoners die Dinxperlo in 1950 telde stonden er 3.028 als Ned. Herv., en 364 als gereformeerd geregistreerd. Er woonden 1190 katholieken in de gemeente. De overige 151 gelovige inwoners waren over diverse andere kerkgenootschappen verdeeld. Nog altijd 90 inwoners stonden als onkerkelijk te boek.

Wapenproblematiek

Sinds 1815 konden de plaatselijke besturen een gemeentewapen aannemen. Vóór 1897 voerde Dinxperlo mogelijk een bos hennep in haar wapen. Als er geen bestaand wapen was, nam men namelijk vaak een symbool van de plaatselijke welvaart. In Dinxperlo was dat de verbouw en handel in hennep.
Op 21 september werd jaarlijks een han’p-markt (hennepmarkt ) gehouden. Deze markt verviel in 1940 en verwijst naar de relatie die Dinxperlo gehad heeft met de verbouw van hennep. Tot 1876 werd de hennepteelt vermeld in de gemeenteverslagen. In een brief van 22 december 1852 schrijft het gemeentebestuur het volgende aan Gedeputeerde Staten:
‘Men heeft zich voor een paar jaren een wapen gefabriceerd, dienende als gemeentewapen. Men teelde vooral voorheen in deze Gemeente veel hennep en schoon die cultuur zeer is afgenomen, zoo heeft men een gebonden bos hennep schuins op een schild geplaatst, tot wapen der Gemeente aangenomen, ofschoon de Hoge Raad van Adel de Gemeente wel niet gerechtigd zal hebben tot het voeren van haar wapen, zoo is het twee à drie jaren hier gebruikt […..].’
In 1897 kreeg de hoge Raad van Adel van de burgemeester een ander verhaal te horen. Volgens de burgemeester was er geen wapen (meer) bekend, en daarom wilde men op een nieuw wapen overgaan. Het hennepwapen zou dus nooit echt zijn gebruikt. Gezien de betekenis en herkomst van de gemeentenaam is het nieuwe wapen met Vrouwe Justitia en de twee rechterlijke zwaarden zeer goed gekozen. Het nieuwe gemeentewapen werd verleend bij KB van 28 juli 1897, nr.31.

Bronnen: Achterhoeks Archief en Gelders Archief.